Duits is de taal die altijd als een soort rode draad door mijn leven liep. Dat begon al vroeg; mijn oma van vaders kant had een grappig accent en als ik daarnaar vroeg, kreeg ik altijd te horen dat dat was omdat ze uit Zwitserland kwam en mensen in Zwitserland Duits spreken. Ik hield wel van talen, dus toen ik eindelijk Duits kreeg op school, was ik hartstikke blij. Maar wat viel dat ontzettend tegen! Het Duits dat ik leerde, leek in niets op het Duits zoals ik dat ‘kende’. Ik was dertien, kon er de vinger nog niet op leggen, maar iets klopte er niet. Dus na een paar weken besloot ik eens aan de leraar te gaan vragen wanneer we nu eindelijk ‘echt’ Duits zouden gaan leren. Hij keek me verbaasd aan. 

“Echt Duits? Maar je leert nu toch Duits?”

“Nee, ik bedoel écht Duits!”

“Maar wat bedoel je dan? Waar heb je het over?”

“Ja, écht Duits! U weet wel: grüezi! Chuchichäschtli!”

Toen hij eenmaal begreep dat ik Zwitsersduits bedoelde en ik doorhad dat ik dat van z’n lang zal ze leven niet ging leren op school, had ik er ook gelijk schoon genoeg van, van dat hele Duits. Ik vond het wel geinig om met een Duitse penvriendin in het Duits te schrijven, het was uiteindelijk een andere taal en ik hield van andere talen, maar het was “gewoon” Duits. Er was niets bijzonders meer aan. En de naamvallen vond ik stom. Dus toen ik het kon laten vallen, deed ik dat direct. M’n cijfers waren er niet naar om het als examenvak te kiezen en omdat ik bedacht had geneeskunde te willen gaan studeren, had ik in mijn pakket ook geen ruimte voor Duits. Ook niet voor Frans overigens, waar ik sinds de brugklas van had genoten, maar wat nu ook wel een beetje ingewikkeld begon te worden met allerlei werkwoordsvormen en -tijden waarvan ik de naam maar niet kon onthouden. En een stomme docent, ook dat. 

Ondertussen had die Duitse penvriendin een cassette opgestuurd. We hadden ontdekt dat we allebei fan waren van Clouseau en zij dacht dat als ik van Clouseau hield, ik deze band ook wel leuk zou vinden. Ze had volkomen gelijk, maar ik had geen idee wat de naam van deze band was en die penvriendin schreef ineens ook niet meer terug. Dus daar zat ik mooi mee. Geen Duits meer op school, een cassette met een Duitse band die echt goed was, geen idee van wie ik fan was dus en met dat geneeskundeplan liep het ook niet helemaal lekker. 

Toen ik 19 was had ik een nieuw plan opgevat. Ik deed de opleiding tandartsassistente en een klasgenoot wilde haar stage in het buitenland doen, maar dan wel ergens waar ze Nederlands spraken. Ik vond het een briljant idee en ik wilde na die opleiding in het buitenland gaan studeren: in Zwitserland, ook al was ik daar nog nooit geweest. Klein dingetje: ik sprak geen Duits. Laat staan Zwitsersduits. Dus ik begon met een cursus Duits voor beginners en schreef in mijn dagboek mijn goede voornemens voor het jaar 2000: mijn Duits verbeteren, nog een hele rits voornemens, en oh ja, m’n Frans verbeteren vond ik ook nog het vermelden waard. Waar dat Frans ineens vandaan kwam, ik heb zo achteraf geen idee, want volgens mij realiseerde ik me op dat moment nauwelijks dat ik in Zwitserland ook in het Frans had kunnen gaan studeren, maar soit, ik ging werken aan mijn Duits. 

Mijn Duits verbeterde niet zo snel als ik had gehoopt en ik had ook geen idee hoe ik dan in Zwitserland terecht zou moeten komen, dus het was tijd voor een gedetailleerder plan: ik ging Duits studeren, zou dan een uitwisselingssemester gaan doen in Zwitserland, dat semester zou een jaar worden en uiteindelijk zou ik gewoon niet terugkomen. Waterdicht plan. Intussen had ik ook weten uit te vogelen wie de artiest was op dat cassettebandje, die band bleek nog altijd te bestaan en nog op te treden, dus ik kon mijn geluk niet op. Mijn leven werd Duits; telefoon en computer in het Duits, navigatie in het Duits, in Duitsland DVD’s kopen zodat ik de audio op Duits kon zetten en ik schreef in het Duits in mijn dagboek. Alleen betekende Duits studeren dus niet alleen de taal leren, maar vooral ook cultuur- en literatuurgeschiedenis en taalwetenschap. Nu vond ik die taalwetenschap wel interessant, maar oh boy. Al die schrijvers en stromingen en literatuur… Ik hield best van lezen, maar al die romans helemaal kapotanalyseren was niet aan mij besteed. “De hoofdpersoon in dit boek heeft blauwe gordijnen omdat de schrijver op het moment dat hij dit boek schreef in een depressieve periode zat…” En nog veel meer van dit soort verborgen boodschappen waarvan de schrijver zelf volgens mij geen idee had dat hij ze in z’n roman had gestopt. 

Dit plan liep dus in de soep en ik deed niets meer met Duits. Ja, ik luisterde nog graag naar PUR, de band waarvan ik al meer dan 25 jaar fan was inmiddels dankzij die penvriendin, en toen ik rechten studeerde kon ik door mijn Duitse taalvaardigheid een uitwisselingssemester doen met de FernUni in Hagen, waardoor ik voor mijn masterscriptie een rechtsvergelijkend onderzoek met Duitsland kon doen. Duits spreken bleek erg handig bij een meer dan normale interesse in het Duitse strafrecht en dat was de reden dat ik me inschreef voor een cursus Duits voor meergevorderden, want ik vond het toch wel leuk om weer met Duits bezig te zijn.  

Toen ik dan ook het plan had opgevat om Frans te gaan studeren, heb ik nog heel even getwijfeld of ik niet liever Duits wilde gaan afmaken. Ik wilde uiteindelijk nog steeds naar Zwitserland en ik leek me ook op dat moment nog steeds niet te realiseren dat dat ook in het Frans zou kunnen. Maar nee, ik wilde Frans studeren en dat ging ik doen. In mijn tweede jaar volgde ik twee taalwetenschappelijke vakken bij Duitse taal en cultuur, omdat ik die vakken superinteressant vond. Waardoor ik me ging afvragen of ik niet ook gewoon Duits zou gaan afmaken. Dus ik volgde weer wat meer vakken bij Duits, kwam weer de cultuur- en literatuurgeschiedenis tegen en realiseerde me dat mijn mening daarover niet veranderd was. Leuk om over te lezen, maar ik hoef het allemaal niet uit m’n hoofd te kunnen oplepelen. 

“Maar!” Ik hoor het je denken, “bij Franse taal en cultuur staat er toch óók cultuur- en literatuurgeschiedenis op het programma?!”

Ja, klopt, en ik ben ook absoluut niet onverdeeld enthousiast over al die vakken met dooie Franse schrijvers en hun verborgen boodschappen en alles. Ik bedoel, “de hoofdpersoon heet Emma, want de roman gaat over liefde en het werkwoord ‘houden van’ (aimer) wordt in de derde persoon enkelvoud in de passé simple – een vorm die vrijwel alleen in de literatuur gebruikt wordt – vervoegd als ‘aima’ en dat klinkt vrijwel hetzelfde als ‘Emma’”? Hou op met me. Ik geloof serieus niet dat die beste Flaubert zelf überhaupt deze link heeft gelegd.  Echt, doe mij maar taalkunde. 

En toch vind ik dat literaire gemekker in het Frans minder vervelend dan in het Duits en ik snapte heel lang niet waarom. Maar nadat ik in mijn identiteitscrisis ben beland, heb ik het licht gezien. Ik snap ineens dit verschil tussen Duits en Frans, waarom ik literatuurgeneuzel in het Frans beter kan verdragen, waarom ik gemotiveerder ben om Frans te leren en waarom ik heus wel graag Duits spreek, maar dat niet bijzonder vind, of zo: ik heb nooit Duits willen leren om Duits te leren. Duits is altijd een middel geweest, een werktuig, en nooit het doel. Ik wilde Duits leren om Zwitsersduits te leren, ik wilde Duits leren om naar Zwitserland te gaan, ik wilde Duits leren om het Duitse strafrecht beter te begrijpen… Terwijl ik Frans wilde leren omdat ik Frans wilde leren, punt. En nu ik Frans spreek, is het natuurlijk super dat ik het kan gebruiken om meer te leren over het Franse strafrecht, is het super dat het mogelijkheden opent in het Franstalige deel van Zwitserland en is het hilarisch dat Macron mijn brein kortsluiting kan bezorgen door Duits te spreken, maar die dingen waren nooit het doel. Frans was altijd het doel en nooit het middel. En Frans blijkt dus al die tijd óók als een soort rode draad door mijn leven te hebben gelopen. Maar ik moest me blijkbaar concentreren op Duits om dat te ontdekken.